desearVervoeging
desear betekent wensen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Imperative
Imperative
De gebiedende wijs van 'desear' wordt gebruikt voor commando's: 'desea' (jij), 'desead' (jullie), of 'desee'/'deseen' (formeel).
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'desear' gebruikt 'no' plus de vormen van de tegenwoordige conjunctief: 'no desees', 'no desee', etc.
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van 'desear' gebruikt de -ara uitgangen: 'deseara', 'desearas', 'deseara', 'deseáramos', 'desearais', 'desearan'.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van 'desear' verandert de 'a' in een 'e': 'desee', 'desees', 'desee', 'deseemos', 'deseéis', 'deseen'.
Indicative
Conditional
De conditionele vorm van 'desear' wordt gevormd door -ía uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: 'desearía', 'desearías', 'desearía', etc.
Preterite
De verleden tijd van 'desear' is regelmatig: 'deseé', 'deseaste', 'deseó', 'deseamos', 'deseasteis', 'desearon'.
Imperfect
De imperfectum van 'desear' volgt het standaard -aba patroon: 'deseaba', 'deseabas', 'deseaba', 'deseábamos', 'deseabais', 'deseaban'.
Present
De tegenwoordige tijd van 'desear' is regelmatig: 'deseo', 'deseas', 'desea', 'deseamos', 'deseáis', 'desean'.
Future
De toekomende tijd van 'desear' gebruikt het hele werkwoord plus uitgangen: 'desearé', 'desearás', 'deseará', 'desearemos', 'desearéis', 'desearán'.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng desear van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'desear' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent desear in het Spaans?
desear betekent "wensen".
Is desear een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
desear is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je desear in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van desear is: yo deseo, tú deseas, él/ella/usted desea, nosotros deseamos, vosotros deseáis, ellos/ellas/ustedes desean.
Hoe vervoeg je desear in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van desear is: yo deseé, tú deseaste, él/ella/usted deseó, nosotros deseamos, vosotros deseasteis, ellos/ellas/ustedes desearon.
