detestarVervoeging
detestar means verfoeien.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooid verleden tijd van detestar is regelmatig: detestara, detestaras, detestara, detestáramos, detestarais, detestaran.
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van detestar is regelmatig: deteste, detestes, deteste, detestemos, detestéis, detesten.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van detestar gebruikt 'no' plus de vormen van de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no detestes, no deteste, etc.
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van detestar gebruikt detesta (tú) en detestad (vosotros), met andere vormen die overeenkomen met de aanvoegende wijs.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van detestar is regelmatig: detestaría, detestarías, detestaría, detestaríamos, detestaríais, detestarían.
Preterite
De onvoltooid verleden tijd van detestar is regelmatig: detesté, detestaste, detestó, detestamos, detestasteis, detestaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van detestar is regelmatig: detestaba, detestabas, detestaba, detestábamos, detestabais, detestaban.
Present
De tegenwoordige tijd van detestar is regelmatig: detesto, detestas, detesta, detestamos, detestáis, detestan.
Future
De toekomende tijd van detestar is regelmatig: detestaré, detestarás, detestará, detestaremos, detestaréis, detestarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng detestar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'detestar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent detestar in het Spaans?
detestar betekent "verfoeien".
Is detestar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
detestar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je detestar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van detestar is: yo detesto, tú detestas, él/ella/usted detesta, nosotros detestamos, vosotros detestáis, ellos/ellas/ustedes detestan.
Hoe vervoeg je detestar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van detestar is: yo detesté, tú detestaste, él/ella/usted detestó, nosotros detestamos, vosotros detestasteis, ellos/ellas/ustedes detestaron.
