devorarVervoeging
devorar betekent verslinden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik de imperfecte conjunctief zoals 'devorara' (ik/hij/zij/u) voor hypothetische situaties of wensen uit het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik de tegenwoordige conjunctief zoals 'devore' (ik/hij/zij/u) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Ontkennende bevelen gebruiken 'no' plus de tegenwoordige conjunctief, zoals 'no devores' (jij).
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'devora' (jij) en 'devore' (u) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van devorar is regelmatig: devoraría, devorarías, devoraría, devoraríamos, devoraríais, devorarían.
Preterite
De preteritum van devorar is regelmatig: devoré, devoraste, devoró, devoramos, devorasteis, devoraron.
Imperfect
De imperfectum van devorar is regelmatig: devoraba, devorabas, devoraba, devorábamos, devorabais, devoraban.
Present
De tegenwoordige tijd van devorar is regelmatig: devoro, devoras, devora, devoramos, devoráis, devoran.
Future
De toekomstige tijd van devorar is regelmatig: devoraré, devorarás, devorará, devoraremos, devoraréis, devorarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng devorar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'devorar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent devorar in het Spaans?
devorar betekent "verslinden".
Is devorar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
devorar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je devorar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van devorar is: yo devoro, tú devoras, él/ella/usted devora, nosotros devoramos, vosotros devoráis, ellos/ellas/ustedes devoran.
Hoe vervoeg je devorar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van devorar is: yo devoré, tú devoraste, él/ella/usted devoró, nosotros devoramos, vosotros devorasteis, ellos/ellas/ustedes devoraron.
