donarVervoeging
donar betekent doneren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van 'donar' (donara, donaras, etc.) drukt wensen, twijfels of hypothetische situaties uit het verleden uit.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief van 'donar' (done, dones, etc.) wordt gebruikt voor wensen, twijfels, emoties en onpersoonlijke uitdrukkingen.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken 'no' + tegenwoordige tijd conjunctief: 'no dones', 'no done', 'no donen', 'no donemos', 'no donéis'.
Imperative
Gebruik 'dona', 'done', 'donen', 'donemos', 'donad' voor directe bevelen met 'donar'.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van 'donar' (donaría, donarías, etc.) drukt hypothetische situaties uit zoals 'zou doneren'.
Preterite
De pretérito van 'donar' (doné, donaste, etc.) markeert voltooide donatie-acties in het verleden.
Imperfect
De imperfecto van 'donar' (donaba, donabas, etc.) beschrijft doorlopende of gebruikelijke donaties in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd van 'donar' (dono, donas, etc.) beschrijft gebruikelijke of huidige donatie-acties.
Future
De toekomende tijd van 'donar' (donaré, donarás, etc.) drukt uit wat er zal gebeuren.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng donar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'donar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent donar in het Spaans?
donar betekent "doneren".
Is donar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
donar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je donar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van donar is: yo dono, tú donas, él/ella/usted dona, nosotros donamos, vosotros donáis, ellos/ellas/ustedes donan.
Hoe vervoeg je donar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van donar is: yo doné, tú donaste, él/ella/usted donó, nosotros donamos, vosotros donasteis, ellos/ellas/ustedes donaron.
