duplicarVervoeging
duplicar means verdubbelen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van duplicar is regelmatig: duplicara, duplicaras, duplicara, duplicáramos, duplicarais, duplicaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van duplicar gebruikt de 'qu'-spelling: duplique, dupliques, duplique, dupliquemos, dupliquéis, dupliquen.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs van duplicar gebruikt 'no' + tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no dupliques, no duplique, no dupliquemos.
Imperative
De gebiedende wijs van duplicar geeft commando's: duplica (tú), duplique (usted), dupliquemos (nosotros).
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van duplicar is regelmatig: duplicaría, duplicarías, duplicaría, duplicaríamos, duplicaríais, duplicarían.
Preterite
De preteritum van duplicar heeft een spellingverandering in de 'yo'-vorm: dupliqué.
Imperfect
De imperfectum van duplicar is regelmatig: duplicaba, duplicabas, duplicaba, duplicábamos, duplicabais, duplicaban.
Present
De tegenwoordige tijd van duplicar is regelmatig: duplico, duplicas, duplica, duplicamos, duplicáis, duplican.
Future
De toekomende tijd van duplicar is regelmatig: duplicaré, duplicarás, duplicará, duplicaremos, duplicaréis, duplicarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng duplicar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'duplicar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent duplicar in het Spaans?
duplicar betekent "verdubbelen".
Is duplicar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
duplicar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je duplicar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van duplicar is: yo duplico, tú duplicas, él/ella/usted duplica, nosotros duplicamos, vosotros duplicáis, ellos/ellas/ustedes duplican.
Hoe vervoeg je duplicar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van duplicar is: yo dupliqué, tú duplicaste, él/ella/usted duplicó, nosotros duplicamos, vosotros duplicasteis, ellos/ellas/ustedes duplicaron.
