durarVervoeging
durar betekent duren (tijd).
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van durar is regelmatig: duro, duras, dura, duramos, duráis, duran.
Future
De toekomende tijd van durar voegt -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án toe aan het hele werkwoord.
Imperfect
De imperfectum van durar volgt het standaard -aba patroon: duraba, durabas, duraba, durábamos, durabais, duraban.
Conditional
De conditionele tijd van durar is regelmatig: duraría, durarías, duraría, duraríamos, duraríais, durarían.
Preterite
De verleden tijd van durar is regelmatig: duré, duraste, duró, duramos, durasteis, duraron.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van durar gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no dures, no dure, no duremos, no duréis, no duren.
Imperative
De gebiedende wijs van durar gebruikt dura (tú), dure (usted), en durad (vosotros).
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van durar gebruikt -e uitgangen: dure, dures, dure, duremos, duréis, duren.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs imperfectum van durar wordt gevormd uit de stam van de verleden tijd: durara, duraras, durara, duráramos, durarais, duraran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng durar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'durar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent durar in het Spaans?
durar betekent "duren (tijd)".
Is durar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
durar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je durar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van durar is: yo duro, tú duras, él/ella/usted dura, nosotros duramos, vosotros duráis, ellos/ellas/ustedes duran.
Hoe vervoeg je durar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van durar is: yo duré, tú duraste, él/ella/usted duró, nosotros duramos, vosotros durasteis, ellos/ellas/ustedes duraron.
