empatarVervoeging
empatar means gelijkspelen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van 'empatar' (-ra of -se) drukt hypothetische situaties in het verleden of wensen uit: empatara, empataras, empatáramos, empataran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van 'empatar' drukt wensen, twijfels of emoties uit: empate, empates, empatemos, empaten.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's voor 'empatar' gebruiken de tegenwoordige conjunctief: no empates, no empate, no empatemos, no empatéis, no empaten.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'empatar' heeft regelmatige commando's: empata, empate, empatemos, empatad, empaten.
Indicative
Conditional
De conditioneel van 'empatar' is regelmatig: empataría, empatarías, empataría, empataríamos, empataríais, empatarían.
Preterite
De preteritum van 'empatar' is regelmatig: empaté, empataste, empató, empatamos, empatasteis, empataron.
Imperfect
De imperfectum van 'empatar' is regelmatig: empataba, empatabas, empataba, empatábamos, empatabais, empataban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'empatar' is regelmatig: empato, empatas, empata, empatamos, empatáis, empatan.
Future
De toekomende tijd van 'empatar' is regelmatig: empataré, empatarás, empatará, empataremos, empataréis, empatarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng empatar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'empatar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent empatar in het Spaans?
empatar betekent "gelijkspelen".
Is empatar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
empatar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je empatar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van empatar is: yo empato, tú empatas, él/ella/usted empata, nosotros empatamos, vosotros empatáis, ellos/ellas/ustedes empatan.
Hoe vervoeg je empatar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van empatar is: yo empaté, tú empataste, él/ella/usted empató, nosotros empatamos, vosotros empatasteis, ellos/ellas/ustedes empataron.
