empeorarVervoeging
empeorar betekent slechter worden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik imperfectum conjunctief vormen zoals 'empeorara' of 'empeorase' voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
Gebruik tegenwoordige tijd conjunctief vormen zoals 'empeore' voor wensen, twijfels en emoties.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen zoals 'no empeores' (jij) gebruiken de tegenwoordige tijd conjunctief.
Imperative
Gebruik imperatiefvormen zoals 'empeora' (jij) en 'empeore' (u) voor directe bevelen met 'empeorar'.
Indicative
Conditional
Gebruik conditionele vormen zoals 'empeoraría' voor hypothetische situaties ('zou erger worden').
Preterite
Gebruik voltooid verleden tijd vormen zoals 'empeoré' en 'empeoró' voor voltooide acties van verergering in het verleden.
Imperfect
Gebruik imperfectum vormen zoals 'empeoraba' voor voortdurende of gebruikelijke verergering in het verleden.
Present
Gebruik tegenwoordige tijd vormen zoals 'empeoro' en 'empeora' voor huidige of gebruikelijke verergering.
Future
Gebruik toekomende tijd vormen zoals 'empeoraré' en 'empeorará' om te praten over dingen die erger zullen worden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng empeorar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'empeorar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent empeorar in het Spaans?
empeorar betekent "slechter worden".
Is empeorar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
empeorar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je empeorar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van empeorar is: yo empeoro, tú empeoras, él/ella/usted empeora, nosotros empeoramos, vosotros empeoráis, ellos/ellas/ustedes empeoran.
Hoe vervoeg je empeorar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van empeorar is: yo empeoré, tú empeoraste, él/ella/usted empeoró, nosotros empeoramos, vosotros empeorasteis, ellos/ellas/ustedes empeoraron.
