encajarVervoeging
encajar means passen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs 'encajara' of 'encajase' wordt gebruikt voor hypothetische situaties of wensen uit het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik 'encaje' (ik/hij/zij/u) en 'encajen' (zij/u allen) na uitdrukkingen van twijfel, emotie of verlangen.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's zoals 'no encajes' (jij) en 'no encajen' (jullie/u) gebruiken de tegenwoordige aanvoegende wijs.
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'encaja' (jij) en 'encajen' (jullie/u) voor directe commando's.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs 'encajaría' drukt hypothetische situaties ('zou passen') of beleefde verzoeken uit.
Preterite
De voltooid verleden tijd van encajar is regelmatig: encajé, encajaste, encajó, encajamos, encajasteis, encajaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd 'encajaba' beschrijft lopende of gebruikelijke handelingen van het passen in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd 'encajo' (ik pas) is voor acties die nu gebeuren, gewoontes of algemene waarheden.
Future
De toekomende tijd 'encajaré' (ik zal passen) drukt toekomstige acties of waarschijnlijkheid uit.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng encajar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'encajar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent encajar in het Spaans?
encajar betekent "passen".
Is encajar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
encajar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je encajar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van encajar is: yo encajo, tú encajas, él/ella/usted encaja, nosotros encajamos, vosotros encajáis, ellos/ellas/ustedes encajan.
Hoe vervoeg je encajar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van encajar is: yo encajé, tú encajaste, él/ella/usted encajó, nosotros encajamos, vosotros encajasteis, ellos/ellas/ustedes encajaron.
