endurecerVervoeging
endurecer betekent verharden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van endurecer wordt gevormd uit de derde persoon meervoud verleden tijd: endureciera.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van endurecer gebruikt de 'zc'-stam: endurezca, endurezcas, endurezca, etc.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt altijd de vormen van de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no endurezcas, no endurezca.
Imperative
De gebiedende wijs van endurecer gebruikt 'endurece' (tú) en 'endurezca' (usted).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van endurecer is regelmatig: endurecería, endurecerías, endurecería, endureceríamos, endureceríais, endurecerían.
Preterite
De verleden tijd van endurecer is regelmatig: endurecí, endureciste, endureció, endurecimos, endurecisteis, endurecieron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van endurecer is regelmatig: endurecía, endurecías, endurecía, endurecíamos, endurecíais, endurecían.
Present
De tegenwoordige tijd van endurecer is onregelmatig in de 'yo'-vorm: endurezco.
Future
De toekomende tijd van endurecer is regelmatig: endureceré, endurecerás, endurecerá, endureceremos, endureceréis, endurecerán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng endurecer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'endurecer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent endurecer in het Spaans?
endurecer betekent "verharden".
Is endurecer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
endurecer is een irregular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je endurecer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van endurecer is: yo endurezco, tú endureces, él/ella/usted endurece, nosotros endurecemos, vosotros endurecéis, ellos/ellas/ustedes endurecen.
Hoe vervoeg je endurecer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van endurecer is: yo endurecí, tú endureciste, él/ella/usted endureció, nosotros endurecimos, vosotros endurecisteis, ellos/ellas/ustedes endurecieron.
