enfurecerVervoeging
enfurecer betekent woedend maken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs wordt gevormd uit de stam van de preteritum: enfureciera, enfurecieras, enfureciera, enfureciéramos, enfurecierais, enfurecieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs gebruikt de 'zc'-stam in alle vormen: enfurezca, enfurezcas, enfurezca, enfurezcamos, enfurezcáis, enfurezcan.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt altijd de 'zc'-stam: no enfurezcas, no enfurezca, no enfurezcamos, no enfurezcáis, no enfurezcan.
Imperative
De imperatief gebruikt 'enfurece' voor tú en de 'zc'-vormen voor formele bevelen.
Indicative
Conditional
De conditioneel van enfurecer is regelmatig: enfurecería, enfurecerías, enfurecería, enfureceríamos, enfureceríais, enfurecerían.
Preterite
De preteritum van enfurecer is regelmatig: enfurecí, enfureciste, enfureció, enfurecimos, enfurecisteis, enfurecieron.
Imperfect
De imperfectum van enfurecer is regelmatig: enfurecía, enfurecías, enfurecía, enfurecíamos, enfurecíais, enfurecían.
Present
Enfurecer heeft een 'z' toegevoegd vóór de 'c' in de eerste persoon enkelvoud: yo enfurezco.
Future
De toekomende tijd van enfurecer is regelmatig: enfureceré, enfurecerás, enfurecerá, enfureceremos, enfureceréis, enfurecerán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng enfurecer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'enfurecer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent enfurecer in het Spaans?
enfurecer betekent "woedend maken".
Is enfurecer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
enfurecer is een irregular (spelling change) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je enfurecer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van enfurecer is: yo enfurezco, tú enfureces, él/ella/usted enfurece, nosotros enfurecemos, vosotros enfurecéis, ellos/ellas/ustedes enfurecen.
Hoe vervoeg je enfurecer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van enfurecer is: yo enfurecí, tú enfureciste, él/ella/usted enfureció, nosotros enfurecimos, vosotros enfurecisteis, ellos/ellas/ustedes enfurecieron.
