enmarcarVervoeging
enmarcar means inlijsten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Enmarcar is regelmatig in de imperfectum subjunctief: enmarcara, enmarcaras, enmarcara, enmarcáramos, enmarcarais, enmarcaran.
Present Subjunctive
Enmarcar heeft een spellingverandering van 'c' naar 'qu' in alle vormen: enmarque, enmarques, enmarque, enmarquemos, enmarquéis, enmarquen.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt de vormen van de tegenwoordige tijd subjunctief: no enmarques, no enmarque, no enmarquemos, no enmarquéis, no enmarquen.
Imperative
De gebiedende wijs van enmarcar gebruikt reguliere vormen (enmarca) en vormen met spellingverandering (enmarque, enmarquen).
Indicative
Conditional
Enmarcar is regelmatig in de conditioneel: enmarcaría, enmarcarías, enmarcaría, enmarcaríamos, enmarcaríais, enmarcarían.
Preterite
Enmarcar heeft een spellingverandering alleen in de 'yo'-vorm (enmarqué); de rest is regelmatig: enmarcaste, enmarcó, enmarcamos, enmarcasteis, enmarcaron.
Imperfect
Enmarcar is regelmatig in de imperfectum: enmarcaba, enmarcabas, enmarcaba, enmarcábamos, enmarcabais, enmarcaban.
Present
Enmarcar is een regulier -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: enmarco, enmarcas, enmarca, enmarcamos, enmarcáis, enmarcan.
Future
Enmarcar is regelmatig in de toekomende tijd: enmarcaré, enmarcarás, enmarcará, enmarcaremos, enmarcaréis, enmarcarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng enmarcar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'enmarcar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent enmarcar in het Spaans?
enmarcar betekent "inlijsten".
Is enmarcar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
enmarcar is een spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je enmarcar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van enmarcar is: yo enmarco, tú enmarcas, él/ella/usted enmarca, nosotros enmarcamos, vosotros enmarcáis, ellos/ellas/ustedes enmarcan.
Hoe vervoeg je enmarcar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van enmarcar is: yo enmarqué, tú enmarcaste, él/ella/usted enmarcó, nosotros enmarcamos, vosotros enmarcasteis, ellos/ellas/ustedes enmarcaron.
