entrarVervoeging
entrar betekent binnengaan.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'entrar' is regelmatig: entro, entras, entra, entramos, entráis, entran.
Future
De futuro van 'entrar' gebruikt de infinitief plus uitgangen: entraré, entrarás, entrará, entraremos, entraréis, entrarán.
Imperfect
De imperfecto van 'entrar' volgt het standaard -aba patroon: entraba, entrabas, entraba, entrábamos, entrabais, entraban.
Conditional
De condicional van 'entrar' is regelmatig: entraría, entrarías, entraría, entraríamos, entraríais, entrarían.
Preterite
'Entrar' is regelmatig in de preterito: entré, entraste, entró, entramos, entrasteis, entraron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperativo van 'entrar' gebruikt de presente subjuntivo: no entres, no entre, no entremos, no entréis, no entren.
Imperative
De affirmatieve imperativo van 'entrar' gebruikt: entra (tú), entre (usted), entrad (vosotros), entren (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De presente subjuntivo van 'entrar' verandert de -a in een -e: entre, entres, entre, entremos, entréis, entren.
Imperfect Subjunctive
De imperfecto subjuntivo van 'entrar' is gebaseerd op de preterito stam: entrara, entraras, entrara, entráramos, entrarais, entraran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng entrar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'entrar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent entrar in het Spaans?
entrar betekent "binnengaan".
Is entrar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
entrar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je entrar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van entrar is: yo entro, tú entras, él/ella/usted entra, nosotros entramos, vosotros entráis, ellos/ellas/ustedes entran.
Hoe vervoeg je entrar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van entrar is: yo entré, tú entraste, él/ella/usted entró, nosotros entramos, vosotros entrasteis, ellos/ellas/ustedes entraron.
