entrenarVervoeging
entrenar betekent trainen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'entrenar' is regelmatig: entreno, entrenas, entrena, entrenamos, entrenáis, entrenan.
Future
De toekomende tijd van 'entrenar' is regelmatig: entrenaré, entrenarás, entrenará, entrenaremos, entrenaréis, entrenarán.
Imperfect
Het imperfectum van 'entrenar' is regelmatig: entrenaba, entrenabas, entrenaba, entrenábamos, entrenabais, entrenaban.
Conditional
De conditionele tijd van 'entrenar' is regelmatig: entrenaría, entrenarías, entrenaría, entrenaríamos, entrenaríais, entrenarían.
Preterite
Het preteritum van 'entrenar' is regelmatig: entrené, entrenaste, entrenó, entrenamos, entrenasteis, entrenaron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs van 'entrenar' gebruikt de conjunctief: no entrenes, no entrene, no entrenemos, no entrenéis, no entrenen.
Imperative
De affirmatieve gebiedende wijs van 'entrenar' geeft directe commando's: entrena (tú), entrene (usted), entrenad (vosotros), entrenen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van 'entrenar' is regelmatig: entrene, entrenes, entrene, entrenemos, entrenéis, entrenen.
Imperfect Subjunctive
Het imperfectum van de conjunctief van 'entrenar' is regelmatig: entrenara, entrenaras, entrenara, entrenáramos, entrenarais, entrenaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng entrenar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'entrenar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent entrenar in het Spaans?
entrenar betekent "trainen".
Is entrenar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
entrenar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je entrenar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van entrenar is: yo entreno, tú entrenas, él/ella/usted entrena, nosotros entrenamos, vosotros entrenáis, ellos/ellas/ustedes entrenan.
Hoe vervoeg je entrenar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van entrenar is: yo entrené, tú entrenaste, él/ella/usted entrenó, nosotros entrenamos, vosotros entrenasteis, ellos/ellas/ustedes entrenaron.
