envejecerVervoeging
envejecer betekent verouderen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs is regelmatig gebaseerd op de derde persoon verleden tijd: envejeciera, envejecieras, envejeciera, envejeciéramos, envejecierais, envejecieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs gebruikt de 'z' van de 'yo'-vorm: envejezca, envejezcas, envejezca, envejezcamos, envejezcáis, envejezcan.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt altijd de 'zc'-stam: no envejezcas, no envejezca, no envejezcamos, no envejezcáis, no envejezcan.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'envejece' voor tú en 'envejezca' voor formele/meervoudige commando's.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van envejecer is regelmatig: envejecería, envejecerías, envejecería, envejeceríamos, envejeceríais, envejecerían.
Preterite
Envejecer is regelmatig in de voltooid verleden tijd: envejecí, envejeciste, envejeció, envejecimos, envejecisteis, envejecieron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van envejecer is regelmatig: envejecía, envejecías, envejecía, envejecíamos, envejecíais, envejecían.
Present
De tegenwoordige tijd van envejecer is alleen onregelmatig in de 'yo'-vorm: envejezco.
Future
De toekomstige tijd van envejecer is regelmatig: envejeceré, envejecerás, envejecerá, envejeceremos, envejeceréis, envejecerán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng envejecer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'envejecer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent envejecer in het Spaans?
envejecer betekent "verouderen".
Is envejecer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
envejecer is een irregular (z-c change) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je envejecer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van envejecer is: yo envejezco, tú envejeces, él/ella/usted envejece, nosotros envejecemos, vosotros envejecéis, ellos/ellas/ustedes envejecen.
Hoe vervoeg je envejecer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van envejecer is: yo envejecí, tú envejeciste, él/ella/usted envejeció, nosotros envejecimos, vosotros envejecisteis, ellos/ellas/ustedes envejecieron.
