esparcirVervoeging
esparcir betekent strooien.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van esparcir is regelmatig, gebaseerd op de derde persoon meervoud verleden tijd: esparciera, esparcieras, esparciera...
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van esparcir verandert de 'c' in een 'z' in alle vormen: esparza, esparzas, esparza, esparzamos, esparzáis, esparzan.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken altijd de 'z'-spellingverandering: no esparzas, no esparza, no esparzamos...
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'esparce' voor tú en 'esparza' voor formele bevelen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van esparcir is regelmatig: esparciría, esparcirías, esparciría, esparciríamos, esparciríais, esparcirían.
Preterite
De verleden tijd van esparcir is regelmatig: esparcí, esparciste, esparció, esparcimos, esparcisteis, esparcieron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van esparcir is regelmatig: esparcía, esparcías, esparcía, esparcíamos, esparcíais, esparcían.
Present
De tegenwoordige tijd is regelmatig, behalve de 'yo'-vorm, die 'c' verandert in 'z': esparzo.
Future
De toekomende tijd van esparcir is regelmatig: esparciré, esparcirás, esparcirá, esparciremos, esparciréis, esparcirán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng esparcir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'esparcir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent esparcir in het Spaans?
esparcir betekent "strooien".
Is esparcir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
esparcir is een irregular (spelling change) -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je esparcir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van esparcir is: yo esparzo, tú esparces, él/ella/usted esparce, nosotros esparcimos, vosotros esparcís, ellos/ellas/ustedes esparcen.
Hoe vervoeg je esparcir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van esparcir is: yo esparcí, tú esparciste, él/ella/usted esparció, nosotros esparcimos, vosotros esparcisteis, ellos/ellas/ustedes esparcieron.
