espiarVervoeging
espiar means bespioneren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van espiar is regelmatig: espiara, espiaras, espiara, espiáramos, espiarais, espiaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs volgt de klemtoonverschuiving van de tegenwoordige tijd van de indicatief: espíe, espíes, espíe, espiemos, espiéis, espíen.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief komt overeen met de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no espíes, no espíe, no espiemos, no espiéis, no espíen.
Imperative
De imperatief gebruikt de vormen met klemtoonverschuiving: espía (tú), espíe (usted), espiemos (nosotros), espiad (vosotros), espíen (ustedes).
Indicative
Conditional
De conditioneel van espiar is regelmatig: espiaría, espiarías, espiaría, espiaríamos, espiaríais, espiarían.
Preterite
De preteritum van espiar is volledig regelmatig: espié, espiaste, espió, espiamos, espiasteis, espiaron.
Imperfect
De imperfectum van espiar is regelmatig: espiaba, espiabas, espiaba, espiábamos, espiabais, espiaban.
Present
Espiar is grotendeels regelmatig, maar krijgt een accent op de 'i' in alle vormen behalve nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van espiar is regelmatig: espiaré, espiarás, espiará, espiaremos, espiaréis, espiarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng espiar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'espiar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent espiar in het Spaans?
espiar betekent "bespioneren".
Is espiar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
espiar is een regular with accent shift -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je espiar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van espiar is: yo espío, tú espías, él/ella/usted espía, nosotros espiamos, vosotros espiáis, ellos/ellas/ustedes espían.
Hoe vervoeg je espiar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van espiar is: yo espié, tú espiaste, él/ella/usted espió, nosotros espiamos, vosotros espiasteis, ellos/ellas/ustedes espiaron.
