excusarVervoeging
excusar betekent verontschuldigen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van excusar (bijv. 'excusara', 'excusaras') wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of twijfels.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van excusar (bijv. 'excuse', 'excuses') volgt op werkwoorden van verlangen, twijfel, emotie en onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no excuses' (jij), 'no excuse' (u), 'no excusemos' (wij), 'no excuséis' (jullie), 'no excusen' (zij/u allen) voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'excusa' (jij), 'excuse' (u), 'excusemos' (wij), 'excusad' (jullie), 'excusen' (zij/u allen) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van excusar is regelmatig: excusaría, excusarías, excusaría, excusaríamos, excusaríais, excusarían.
Preterite
De preteritum van excusar is regelmatig: excusé, excusaste, excusó, excusamos, excusasteis, excusaron.
Imperfect
De imperfectum van excusar is regelmatig: excusaba, excusabas, excusaba, excusábamos, excusabais, excusaban.
Present
De tegenwoordige tijd van excusar is regelmatig: excuso, excusas, excusa, excusamos, excusáis, excusan.
Future
De toekomende tijd van excusar is regelmatig: excusaré, excusarás, excusará, excusaremos, excusaréis, excusarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng excusar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'excusar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent excusar in het Spaans?
excusar betekent "verontschuldigen".
Is excusar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
excusar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je excusar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van excusar is: yo excuso, tú excusas, él/ella/usted excusa, nosotros excusamos, vosotros excusáis, ellos/ellas/ustedes excusan.
Hoe vervoeg je excusar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van excusar is: yo excusé, tú excusaste, él/ella/usted excusó, nosotros excusamos, vosotros excusasteis, ellos/ellas/ustedes excusaron.
