formarVervoeging
formar betekent vormen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'formar' is regelmatig: formo, formas, forma, formamos, formáis, forman.
Future
De futurum van 'formar' is regelmatig: formaré, formarás, formará, formaremos, formaréis, formarán.
Imperfect
De imperfectum van 'formar' is regelmatig: formaba, formabas, formaba, formábamos, formabais, formaban.
Conditional
De conditionele van 'formar' is regelmatig: formaría, formarías, formaría, formaríamos, formaríais, formarían.
Preterite
De preteritum van 'formar' is regelmatig: formé, formaste, formó, formamos, formasteis, formaron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'formar' gebruikt de vormen van de tegenwoordige tijd conjunctief: no formes, no forme, no formemos, no forméis, no formen.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'formar' is: forma (tú), forme (usted), formemos (nosotros), formad (vosotros), formen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief van 'formar' is regelmatig: forme, formes, forme, formemos, forméis, formen.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van 'formar' is regelmatig: formara, formaras, formara, formáramos, formarais, formaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng formar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'formar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent formar in het Spaans?
formar betekent "vormen".
Is formar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
formar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je formar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van formar is: yo formo, tú formas, él/ella/usted forma, nosotros formamos, vosotros formáis, ellos/ellas/ustedes forman.
Hoe vervoeg je formar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van formar is: yo formé, tú formaste, él/ella/usted formó, nosotros formamos, vosotros formasteis, ellos/ellas/ustedes formaron.
