ganarVervoeging
ganar betekent winnen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
'Ganar' is regelmatig in de tegenwoordige tijd: gano, ganas, gana, ganamos, ganáis, ganan.
Future
Om de toekomende tijd van 'ganar' te vormen, voeg je de uitgangen toe aan het infinitief: ganaré, ganarás, ganará, ganaremos, ganaréis, ganarán.
Imperfect
De verleden onvoltooide tijd van 'ganar' gebruikt de regelmatige -aba uitgangen: ganaba, ganabas, ganaba, ganábamos, ganabais, ganaban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'ganar' wordt gevormd door -ía toe te voegen aan het infinitief: ganaría, ganarías, ganaría, ganaríamos, ganaríais, ganarían.
Preterite
De verleden tijd van 'ganar' is regelmatig: gané, ganaste, ganó, ganamos, ganasteis, ganaron.
Imperative
Negative Imperative
Het negatieve gebiedende wijs van 'ganar' gebruikt de vormen van de tegenwoordige aanvoegende wijs: no ganes, no gane, no ganemos, no ganéis, no ganen.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'ganar' geeft commando's: gana (jij), ganad (jullie), gane (u), ganen (u allen).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van 'ganar' gebruikt -e uitgangen: gane, ganes, gane, ganemos, ganéis, ganen.
Imperfect Subjunctive
De verleden onvoltooide aanvoegende wijs van 'ganar' gebruikt de stam van 'ganaron': ganara, ganaras, ganara, ganáramos, ganarais, ganaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng ganar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'ganar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent ganar in het Spaans?
ganar betekent "winnen".
Is ganar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
ganar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je ganar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van ganar is: yo gano, tú ganas, él/ella/usted gana, nosotros ganamos, vosotros ganáis, ellos/ellas/ustedes ganan.
Hoe vervoeg je ganar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van ganar is: yo gané, tú ganaste, él/ella/usted ganó, nosotros ganamos, vosotros ganasteis, ellos/ellas/ustedes ganaron.
