habitarVervoeging
habitar means bewonen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd aanvoegende wijs van 'habitar' heeft twee vormen: habitara/habitase (ik/hij/zij/u), habitaras/habitases (jij), etc.
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van 'habitar' is: habite (ik/hij/zij/u), habites (jij), habitemos (wij), habitéis (jullie), habiten (zij/u allen).
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende bevelen voor 'habitar' gebruiken 'no' + aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no habites (jij), no habite (u), no habitemos (wij), no habitéis (jullie), no habiten (zij/u allen).
Imperative
Habita (jij), habite (u), habitemos (wij), habitad (jullie), habiten (zij/u allen) zijn de bevestigende gebiedende wijs vormen voor 'habitar'.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van 'habitar' is regelmatig: habitaría, habitarías, habitaría, habitaríamos, habitaríais, habitarían.
Preterite
De onvoltooid verleden tijd van 'habitar' is regelmatig: habité, habitaste, habitó, habitamos, habitasteis, habitaron.
Imperfect
De imperfectum van 'habitar' is: habitaba, habitabas, habitaba, habitábamos, habitabais, habitaban.
Present
De tegenwoordige tijd indicatief van 'habitar' is: habito, habitas, habita, habitamos, habitáis, habitan.
Future
De toekomende tijd van 'habitar' is regelmatig: habitaré, habitarás, habitará, habitaremos, habitaréis, habitarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng habitar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'habitar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent habitar in het Spaans?
habitar betekent "bewonen".
Is habitar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
habitar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je habitar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van habitar is: yo habito, tú habitas, él/ella/usted habita, nosotros habitamos, vosotros habitáis, ellos/ellas/ustedes habitan.
Hoe vervoeg je habitar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van habitar is: yo habité, tú habitaste, él/ella/usted habitó, nosotros habitamos, vosotros habitasteis, ellos/ellas/ustedes habitaron.
