hacerseVervoeging
hacerse betekent worden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van hacerse is grotendeels regelmatig, behalve de 'yo'-vorm (me hago).
Future
De toekomende tijd van hacerse gebruikt de onregelmatige stam 'har-' (me haré, te harás).
Imperfect
Het imperfectum van hacerse is volledig regelmatig: me hacía, te hacías, se hacía.
Conditional
Het conditioneel van hacerse gebruikt de onregelmatige stam 'har-' (me haría, te harías).
Preterite
Het preteritum van hacerse is onregelmatig, met een stamverandering naar 'hic-' (me hice, te hiciste, se hizo).
Imperative
Negative Imperative
Het negatieve imperatief van hacerse gebruikt altijd de vormen van de tegenwoordige conjunctief voorafgegaan door 'no'.
Imperative
Het imperatief van hacerse gebruikt 'hazte' voor informele bevelen en 'hágase' voor formele.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van hacerse gebruikt de stam 'hag-' (me haga, te hagas).
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van hacerse gebruikt de onregelmatige 'hicier-' stam (me hiciera, te hicieras).
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng hacerse van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'hacerse' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent hacerse in het Spaans?
hacerse betekent "worden".
Is hacerse een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
hacerse is een irregular (stem change in some forms), pronominal -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je hacerse in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van hacerse is: yo me hago, tú te haces, él/ella/usted se hace, nosotros nos hacemos, vosotros os hacéis, ellos/ellas/ustedes se hacen.
Hoe vervoeg je hacerse in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van hacerse is: yo me hice, tú te hiciste, él/ella/usted se hizo, nosotros nos hicimos, vosotros os hicisteis, ellos/ellas/ustedes se hicieron.
