imprimirVervoeging
imprimir betekent printen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van imprimir gebruikt de -ra uitgangen: imprimiera, imprimieras, imprimiera, imprimiéramos, imprimierais, imprimieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van imprimir is regelmatig: imprima, imprimas, imprima, imprimamos, imprimáis, impriman.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van imprimir gebruikt 'no' + tegenwoordige tijd aanvoegende wijs: no imprimas, no imprima, no imprimamos, no imprimáis, no impriman.
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van imprimir: imprime (tú), imprima (usted), imprimamos (nosotros), imprimid (vosotros), impriman (ustedes).
Indicative
Conditional
De conditioneel van imprimir is regelmatig: voeg de uitgangen toe aan het hele werkwoord: imprimiría, imprimirías, imprimiría...
Preterite
De preteritum van imprimir is regelmatig: imprimí, imprimiste, imprimió, imprimimos, imprimisteis, imprimieron.
Imperfect
De imperfectum van imprimir is regelmatig: imprimía, imprimías, imprimía, imprimíamos, imprimíais, imprimían.
Present
De tegenwoordige tijd van imprimir is regelmatig: imprimo, imprimes, imprime, imprimimos, imprimís, imprimen.
Future
De toekomende tijd van imprimir is regelmatig: voeg de uitgangen toe aan het hele werkwoord: imprimiré, imprimirás, imprimirá...
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng imprimir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'imprimir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent imprimir in het Spaans?
imprimir betekent "printen".
Is imprimir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
imprimir is een mostly regular with two past forms -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je imprimir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van imprimir is: yo imprimo, tú imprimes, él/ella/usted imprime, nosotros imprimimos, vosotros imprimís, ellos/ellas/ustedes imprimen.
Hoe vervoeg je imprimir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van imprimir is: yo imprimí, tú imprimiste, él/ella/usted imprimió, nosotros imprimimos, vosotros imprimisteis, ellos/ellas/ustedes imprimieron.
