instalarVervoeging
instalar means installeren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs (imperfect subjunctive) van instalar is regelmatig: instalara/instalase, instalaras/instalases, etc.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs (present subjunctive) van instalar is regelmatig: instale, instales, instalemos, instaléis, instalen.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van instalar gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs (subjunctief): no instales, no instale, no instalemos, no instaléis, no instalen.
Imperative
Het gebiedende wijs van instalar is regelmatig: instala, instale, instalemos, instalad, instalen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd (conditional) van instalar is regelmatig: instalaría, instalarías, instalaría, instalaríamos, instalaríais, instalarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd (preterite) van instalar is regelmatig: instalé, instalaste, instaló, instalamos, instalasteis, instalaron.
Imperfect
De verleden tijd (imperfect) van instalar is regelmatig: instalaba, instalabas, instalaba, instalábamos, instalabais, instalaban.
Present
De tegenwoordige tijd (present indicative) van instalar is regelmatig: instalo, instalas, instala, instalamos, instaláis, instalan.
Future
De toekomende tijd (future) van instalar is regelmatig: instalaré, instalarás, instalará, instalaremos, instalaréis, instalarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng instalar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'instalar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent instalar in het Spaans?
instalar betekent "installeren".
Is instalar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
instalar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je instalar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van instalar is: yo instalo, tú instalas, él/ella/usted instala, nosotros instalamos, vosotros instaláis, ellos/ellas/ustedes instalan.
Hoe vervoeg je instalar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van instalar is: yo instalé, tú instalaste, él/ella/usted instaló, nosotros instalamos, vosotros instalasteis, ellos/ellas/ustedes instalaron.
