irritarVervoeging
irritar means irriteren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'irritar' heeft twee vormen voor elke persoon: irritara/irritase, irritaras/irritases, enz.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'irritar' is: irrite, irrites, irritemos, irritéis, irriten.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's voor 'irritar' gebruiken de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no irrites, no irrite, no irriten, no irritéis, no irritemos.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'irritar' heeft regelmatige commando's: irrita, irrite, irriten, irritad, irritemos.
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van 'irritar' is regelmatig: irritaría, irritarías, irritaría, irritaríamos, irritaríais, irritarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'irritar' is regelmatig: irrité, irritaste, irritó, irritamos, irritasteis, irritaron.
Imperfect
De imperfectum van 'irritar' is regelmatig: irritaba, irritabas, irritaba, irritábamos, irritabais, irritaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'irritar' is regelmatig: irrito, irritas, irrita, irritamos, irritáis, irritan.
Future
De toekomende tijd van 'irritar' is regelmatig: irritaré, irritarás, irritará, irritaremos, irritaréis, irritarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng irritar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'irritar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent irritar in het Spaans?
irritar betekent "irriteren".
Is irritar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
irritar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je irritar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van irritar is: yo irrito, tú irritas, él/ella/usted irrita, nosotros irritamos, vosotros irritáis, ellos/ellas/ustedes irritan.
Hoe vervoeg je irritar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van irritar is: yo irrité, tú irritaste, él/ella/usted irritó, nosotros irritamos, vosotros irritasteis, ellos/ellas/ustedes irritaron.
