jurarVervoeging
jurar betekent zweren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd subjunctuiv van 'jurar' gebruikt -e uitgangen: jure, jures, jure, juremos, juréis, juren.
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd subjunctuiv van 'jurar' is regelmatig: jurara, juraras, jurara, juráramos, jurarais, juraran.
Imperative
Imperative
De imperatief van 'jurar' gebruikt 'jura' (jij), 'jurad' (jullie) en subjunctiefvormen voor de rest.
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'jurar' gebruikt de tegenwoordige tijd subjunctuiv: no jures, no jure, no juremos, no juréis, no juren.
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'jurar' is regelmatig: juro, juras, jura, juramos, juráis, juran.
Preterite
De verleden tijd van 'jurar' is regelmatig: juré, juraste, juró, juramos, jurasteis, juraron.
Future
De toekomende tijd van 'jurar' voegt uitgangen toe aan het hele werkwoord: juraré, jurarás, jurará, juraremos, juraréis, jurarán.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'jurar' volgt het standaard -aba patroon: juraba, jurabas, juraba, jurábamos, jurabais, juraban.
Conditional
De conditioneel van 'jurar' is regelmatig: juraría, jurarías, juraría, juraríamos, juraríais, jurarían.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng jurar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'jurar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent jurar in het Spaans?
jurar betekent "zweren".
Is jurar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
jurar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je jurar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van jurar is: yo juro, tú juras, él/ella/usted jura, nosotros juramos, vosotros juráis, ellos/ellas/ustedes juran.
Hoe vervoeg je jurar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van jurar is: yo juré, tú juraste, él/ella/usted juró, nosotros juramos, vosotros jurasteis, ellos/ellas/ustedes juraron.
