llorarVervoeging
llorar betekent huilen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van llorar is regelmatig: lloro, lloras, llora, lloramos, lloráis, lloran.
Future
De toekomende tijd van llorar is regelmatig: lloraré, llorarás, llorará, lloraremos, lloraréis, llorarán.
Imperfect
De imperfectum van llorar is regelmatig: lloraba, llorabas, lloraba, llorábamos, llorabais, lloraban.
Conditional
De conditionele van llorar is regelmatig: lloraría, llorarías, lloraría, lloraríamos, lloraríais, llorarían.
Preterite
De preteritum van llorar is regelmatig: lloré, lloraste, lloró, lloramos, llorasteis, lloraron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt de vormen van de tegenwoordige conjunctief: no llores, no llore, no lloremos, no lloréis, no lloren.
Imperative
De affirmatieve gebiedende wijs van llorar is: llora (tú), llore (usted), lloremos (nosotros), llorad (vosotros), lloren (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief van llorar is regelmatig: llore, llores, llore, lloremos, lloréis, lloren.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van llorar volgt het -ra patroon: llorara, lloraras, llorara, lloráramos, llorarais, lloraran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng llorar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'llorar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent llorar in het Spaans?
llorar betekent "huilen".
Is llorar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
llorar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je llorar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van llorar is: yo lloro, tú lloras, él/ella/usted llora, nosotros lloramos, vosotros lloráis, ellos/ellas/ustedes lloran.
Hoe vervoeg je llorar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van llorar is: yo lloré, tú lloraste, él/ella/usted lloró, nosotros lloramos, vosotros llorasteis, ellos/ellas/ustedes lloraron.
