maldecirVervoeging
maldecir means vervloeken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs gebruikt de 'j'-stam van de voltooid verleden tijd: maldijera, maldijeras, maldijera, maldijéramos, maldijerais, maldijeran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van maldecir heeft een 'g' in de stam: maldiga, maldigas, maldiga, maldigamos, maldigáis, maldigan.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt de 'g'-stam: no maldigas, no maldiga, no maldigamos, no maldigáis, no maldigan.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'maldice' voor tú en 'maldiga' voor formele bevelen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van maldecir is regelmatig: maldeciría, maldecirías, maldeciría, maldeciríamos, maldeciríais, maldecirían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van maldecir is zeer onregelmatig met een 'j'-stam: maldije, maldijiste, maldijo, maldijimos, maldijisteis, maldijeron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van maldecir is regelmatig: maldecía, maldecías, maldecía, maldecíamos, maldecíais, maldecían.
Present
De tegenwoordige tijd van maldecir is onregelmatig in de meeste vormen: maldigo, maldices, maldice, maldecimos, maldecís, maldicen.
Future
De toekomende tijd van maldecir is regelmatig gebaseerd op de infinitief: maldeciré, maldecirás, maldecirá, maldeciremos, maldeciréis, maldecirán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng maldecir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'maldecir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent maldecir in het Spaans?
maldecir betekent "vervloeken".
Is maldecir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
maldecir is een irregular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je maldecir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van maldecir is: yo maldigo, tú maldices, él/ella/usted maldice, nosotros maldecimos, vosotros maldecís, ellos/ellas/ustedes maldicen.
Hoe vervoeg je maldecir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van maldecir is: yo maldije, tú maldijiste, él/ella/usted maldijo, nosotros maldijimos, vosotros maldijisteis, ellos/ellas/ustedes maldijeron.
