mancharVervoeging
manchar betekent vlekken maken op.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief 'manchara' of 'manchase' wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief 'manche' wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen zoals 'no manches' (tú) en 'no manche' (usted) gebruiken de tegenwoordige tijd conjunctief.
Imperative
Gebruik imperatiefvormen zoals 'mancha' (tú) en 'manche' (usted) voor directe bevelen met manchar.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd 'mancharía' drukt hypothetische situaties ('zou bevlekken') of beleefde verzoeken uit.
Preterite
De preteritum van manchar is regelmatig: manché, manchaste, manchó, manchamos, manchasteis, mancharon.
Imperfect
De imperfectum 'manchaba' beschrijft doorlopende of gebruikelijke handelingen van bevlekken in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd 'mancho' beschrijft huidige handelingen, gewoontes of algemene waarheden over bevlekken.
Future
De toekomende tijd 'mancharé' voorspelt of drukt waarschijnlijkheid uit over bevlekken.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng manchar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'manchar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent manchar in het Spaans?
manchar betekent "vlekken maken op".
Is manchar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
manchar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je manchar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van manchar is: yo mancho, tú manchas, él/ella/usted mancha, nosotros manchamos, vosotros mancháis, ellos/ellas/ustedes manchan.
Hoe vervoeg je manchar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van manchar is: yo manché, tú manchaste, él/ella/usted manchó, nosotros manchamos, vosotros manchasteis, ellos/ellas/ustedes mancharon.
