mandarVervoeging
mandar betekent verzenden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van mandar is regelmatig: mando, mandas, manda, mandamos, mandáis, mandan.
Future
De toekomende tijd van mandar gebruikt het hele werkwoord plus uitgangen: mandaré, mandarás, mandará, mandaremos, mandaréis, mandarán.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van mandar volgt het regelmatige -aba patroon: mandaba, mandabas, mandaba, mandábamos, mandabais, mandaban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van mandar is regelmatig: mandaría, mandarías, mandaría, mandaríamos, mandaríais, mandarían.
Preterite
De verleden tijd van mandar is regelmatig: mandé, mandaste, mandó, mandamos, mandasteis, mandaron.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van mandar gebruikt 'no' plus de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no mandes, no mande, no mandemos, no mandéis, no manden.
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van mandar geeft commando's: manda (tú), mande (usted), mandad (vosotros), manden (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van mandar is regelmatig: mande, mandes, mande, mandemos, mandéis, manden.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooid verleden tijd van mandar gebruikt de stam van de verleden tijd: mandara, mandaras, mandara, mandáramos, mandarais, mandaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng mandar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'mandar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent mandar in het Spaans?
mandar betekent "verzenden".
Is mandar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
mandar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je mandar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van mandar is: yo mando, tú mandas, él/ella/usted manda, nosotros mandamos, vosotros mandáis, ellos/ellas/ustedes mandan.
Hoe vervoeg je mandar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van mandar is: yo mandé, tú mandaste, él/ella/usted mandó, nosotros mandamos, vosotros mandasteis, ellos/ellas/ustedes mandaron.
