marearVervoeging
marear means duizelig maken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd verleden tijd aanvoegende wijs van marear gebruikt -ra of -se uitgangen: mareara, marearas, mareara, mareáramos, marearais, marearan.
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van marear is regelmatig: maree, marees, maree, mareemos, mareéis, mareen.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van marear gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: no marees (jij), no maree (u), no mareemos (wij), no mareéis (jullie), no mareen (zij/u).
Imperative
Het gebiedende wijs van marear is regelmatig: marea (jij), maree (u), mareemos (wij), maread (jullie), mareen (zij/u).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van marear is regelmatig: marearía, marearías, marearía, marearíamos, marearíais, marearían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van marear is regelmatig: mareé, mareaste, mareó, mareamos, mareasteis, marearon.
Imperfect
De verleden tijd onvoltooid tegenwoordige tijd van marear is regelmatig: mareaba, mareabas, mareaba, mareábamos, mareabais, mareaban.
Present
De tegenwoordige tijd onvoltooid tegenwoordige tijd van marear is regelmatig: mareo, mareas, marea, mareamos, mareáis, marean.
Future
De toekomende tijd van marear is regelmatig: marearé, marearás, mareará, marearemos, marearéis, marearán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng marear van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'marear' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent marear in het Spaans?
marear betekent "duizelig maken".
Is marear een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
marear is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je marear in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van marear is: yo mareo, tú mareas, él/ella/usted marea, nosotros mareamos, vosotros mareáis, ellos/ellas/ustedes marean.
Hoe vervoeg je marear in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van marear is: yo mareé, tú mareaste, él/ella/usted mareó, nosotros mareamos, vosotros mareasteis, ellos/ellas/ustedes marearon.
