matarVervoeging
matar betekent doden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van matar is regelmatig: mato, matas, mata, matamos, matáis, matan.
Future
De toekomende tijd van matar is regelmatig: matar + é, ás, á, emos, éis, án.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van matar volgt het regelmatige -aba patroon: mataba, matabas, mataba, matábamos, matabais, mataban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van matar is regelmatig: mataría, matarías, mataría, mataríamos, mataríais, matarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van matar is regelmatig: maté, mataste, mató, matamos, matasteis, mataron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van matar gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no mates, no mate, no matemos, no matéis, no maten.
Imperative
Het bevestigende gebiedende wijs van matar is: mata (tú), mate (usted), matemos (nosotros), matad (vosotros), maten (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van matar gebruikt -e uitgangen: mate, mates, mate, matemos, matéis, maten.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs verleden tijd van matar is matara, mataras, matara, matáramos, matarais, mataran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng matar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'matar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent matar in het Spaans?
matar betekent "doden".
Is matar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
matar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je matar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van matar is: yo mato, tú matas, él/ella/usted mata, nosotros matamos, vosotros matáis, ellos/ellas/ustedes matan.
Hoe vervoeg je matar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van matar is: yo maté, tú mataste, él/ella/usted mató, nosotros matamos, vosotros matasteis, ellos/ellas/ustedes mataron.
