merodearVervoeging
merodear betekent rondsluipen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik de verleden tijd van de conjunctief zoals 'merodeara' of 'merodearse' voor verleden tijd hypothetische situaties of wensen.
Present Subjunctive
Gebruik de tegenwoordige tijd conjunctief zoals 'merodee' na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen zoals 'no merodees' (jij) gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief met 'no'.
Imperative
Gebruik imperatiefvormen zoals 'merodea' (jij) en 'merodeen' (jullie) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
Gebruik de conditionele vorm 'merodearía' (hij/zij zou rondsluipen) voor hypothetische situaties of beleefde verzoeken.
Preterite
Gebruik de preteritum 'merodeó' (hij/zij/het sloop rond) voor voltooide acties in het verleden.
Imperfect
Gebruik de imperfectum 'merodeaba' (hij/zij was aan het rondsluipen) voor doorlopende of gebruikelijke acties in het verleden.
Present
Gebruik de tegenwoordige tijd 'merodea' (hij/zij sluipt rond) voor doorlopende acties of gewoontes.
Future
Gebruik de toekomende tijd 'merodeará' (hij/zij zal rondsluipen) voor acties die zullen gebeuren.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng merodear van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'merodear' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent merodear in het Spaans?
merodear betekent "rondsluipen".
Is merodear een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
merodear is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je merodear in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van merodear is: yo merodeo, tú merodeas, él/ella/usted merodea, nosotros merodeamos, vosotros merodeáis, ellos/ellas/ustedes merodean.
Hoe vervoeg je merodear in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van merodear is: yo merodeé, tú merodeaste, él/ella/usted merodeó, nosotros merodeamos, vosotros merodeasteis, ellos/ellas/ustedes merodearon.
