mirarVervoeging
mirar betekent kijken naar.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'mirar' is regelmatig: miro, miras, mira, miramos, miráis, miran.
Future
De toekomende tijd van 'mirar' voegt uitgangen toe aan de infinitief: miraré, mirarás, mirará, miraremos, miraréis, mirarán.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'mirar' gebruikt de regelmatige -aba uitgangen: miraba, mirabas, miraba, mirábamos, mirabais, miraban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'mirar' is regelmatig: miraría, mirarías, miraría, miraríamos, miraríais, mirarían.
Preterite
De verleden tijd van 'mirar' is regelmatig: miré, miraste, miró, miramos, mirasteis, miraron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'mirar' gebruikt aanvoegende wijsvormen: no mires, no mire, no miremos, no miréis, no miren.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'mirar' geeft commando's: mira, mire, miremos, mirad, miren.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van 'mirar' gebruikt -e uitgangen: mire, mires, mire, miremos, miréis, miren.
Imperfect Subjunctive
De verleden aanvoegende wijs van 'mirar' wordt gevormd uit de stam van de verleden tijd: mirara, miraras, mirara, miráramos, mirarais, miraran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng mirar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'mirar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent mirar in het Spaans?
mirar betekent "kijken naar".
Is mirar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
mirar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je mirar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van mirar is: yo miro, tú miras, él/ella/usted mira, nosotros miramos, vosotros miráis, ellos/ellas/ustedes miran.
Hoe vervoeg je mirar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van mirar is: yo miré, tú miraste, él/ella/usted miró, nosotros miramos, vosotros mirasteis, ellos/ellas/ustedes miraron.
