montarVervoeging
montar betekent rijden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'montar' beschrijft gebruikelijke acties, dingen die nu gebeuren, of algemene waarheden.
Future
De toekomende tijd van 'montar' drukt acties uit die zullen gebeuren of waarschijnlijkheden uit.
Imperfect
De imperfecte tijd van 'montar' beschrijft doorlopende of gebruikelijke acties uit het verleden.
Conditional
De conditionele tijd van 'montar' drukt 'zou'-acties, beleefde verzoeken of toekomende tijd in het verleden uit.
Preterite
De pretérito van 'montar' beschrijft voltooide acties zoals rijden of monteren in het verleden.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no' + de tegenwoordige tijd van de conjunctief voor negatieve commando's met 'montar', zoals 'rijd niet!'.
Imperative
Gebruik de gebiedende wijs van 'montar' voor directe commando's zoals 'rijd!' of 'laten we rijden!'.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van 'montar' wordt gebruikt voor wensen, twijfels en suggesties.
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van 'montar' drukt twijfels, wensen of hypothetische situaties uit het verleden uit.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng montar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'montar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent montar in het Spaans?
montar betekent "rijden".
Is montar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
montar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je montar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van montar is: yo monto, tú montas, él/ella/usted monta, nosotros montamos, vosotros montáis, ellos/ellas/ustedes montan.
Hoe vervoeg je montar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van montar is: yo monté, tú montaste, él/ella/usted montó, nosotros montamos, vosotros montasteis, ellos/ellas/ustedes montaron.
