nadarVervoeging
nadar betekent zwemmen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Imperative
Imperative
Het gebiedende wijs van 'nadar' is 'nada' (jij), 'nade' (u), 'nademos' (wij), 'nadad' (jullie), 'naden' (u allen).
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'nadar' gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: 'no nades' (jij), 'no nade' (u), 'no nademos' (wij), 'no nadéis' (jullie), 'no naden' (u allen).
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'nadar' is 'nadara/nadase' (ik/hij/zij/u), 'nadaras/nadases' (jij), 'nadáramos/nadásemos' (wij), 'nadarais/nadaseis' (jullie), 'nadaran/nadase' (zij/u allen).
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'nadar' is 'nade' (ik/hij/zij/u), 'nades' (jij), 'nademos' (wij), 'nadéis' (jullie), 'naden' (zij/u allen).
Indicative
Future
De toekomende tijd van 'nadar' is regelmatig: 'nadaré', 'nadarás', 'nadará', 'nadaremos', 'nadaréis', 'nadarán'.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'nadar' is regelmatig: 'nadé', 'nadaste', 'nadó', 'nadamos', 'nadasteis', 'nadaron'.
Imperfect
De verleden onvoltooide tijd van 'nadar' is regelmatig: 'nadaba', 'nadabas', 'nadaba', 'nadábamos', 'nadabais', 'nadaban'.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'nadar' is regelmatig: 'nadaría', 'nadarías', 'nadaría', 'nadaríamos', 'nadaríais', 'nadarían'.
Present
De tegenwoordige tijd (indicatief) van 'nadar' is regelmatig: 'nado', 'nadas', 'nada', 'nadamos', 'nadáis', 'nadan'.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng nadar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'nadar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent nadar in het Spaans?
nadar betekent "zwemmen".
Is nadar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
nadar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je nadar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van nadar is: yo nado, tú nadas, él/ella/usted nada, nosotros nadamos, vosotros nadáis, ellos/ellas/ustedes nadan.
Hoe vervoeg je nadar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van nadar is: yo nadé, tú nadaste, él/ella/usted nadó, nosotros nadamos, vosotros nadasteis, ellos/ellas/ustedes nadaron.
