nevarVervoeging
nevar means sneeuwen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs (imperfect subjunctive) van nevar gebruikt de -ra of -se uitgangen: nevara, nevaras, nevara, neváramos, nevarais, nevaran.
Present Subjunctive
Nevar ondergaat een stamverandering van e naar ie in de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: nieve, nieves, nieve, nevemos, nevéis, nieven.
Imperative
Negative Imperative
Het negatieve imperatief van nevar gebruikt de vormen van de tegenwoordige aanvoegende wijs: no nieves, no nieve, no nevemos, no nevéis, no nieven.
Imperative
Het imperatief van nevar wordt zelden gebruikt omdat het een weerswerkwoord is, maar volgt de e naar ie verandering: nieva, nieve, nevemos, nevad, nieven.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs (conditional) van nevar is regelmatig: nevaría, nevarías, nevaría, nevaríamos, nevaríais, nevarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd (preterite) van nevar is regelmatig: nevé, nevaste, nevó, nevamos, nevasteis, nevaron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd (imperfect) van nevar is regelmatig: nevaba, nevabas, nevaba, nevábamos, nevabais, nevaban.
Present
Nevar heeft een stamverandering van e naar ie in de tegenwoordige tijd: nievo, nievas, nieva, nevamos, neváis, nievan.
Future
De toekomende tijd (future) van nevar is regelmatig: nevaré, nevarás, nevará, nevaremos, nevaréis, nevarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng nevar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'nevar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent nevar in het Spaans?
nevar betekent "sneeuwen".
Is nevar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
nevar is een irregular (stem-changing e to ie) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je nevar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van nevar is: yo nievo, tú nievas, él/ella/usted nieva, nosotros nevamos, vosotros neváis, ellos/ellas/ustedes nievan.
Hoe vervoeg je nevar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van nevar is: yo nevé, tú nevaste, él/ella/usted nevó, nosotros nevamos, vosotros nevasteis, ellos/ellas/ustedes nevaron.
