nutrirVervoeging
nutrir means voeden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd aanvoegende wijs van 'nutrir' (nutriera/nutriese, nutrieras/nutrieses, etc.) wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd aanvoegende wijs van 'nutrir' (nutra, nutras, nutramos, nutran) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor 'nutrir' gebruiken de tegenwoordige aanvoegende wijs: no nutras (jij), no nutráis (jullie), no nutra (u), no nutramos (wij), no nutran (zij/u allen).
Imperative
Nutre (jij), nutrid (jullie), nutra (u), nutramos (wij), nutran (zij/u allen) zijn de bevelen voor 'nutrir'.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'nutrir' is regelmatig: nutriría, nutrirías, nutriría, nutriríamos, nutriríais, nutrirían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'nutrir' is regelmatig: nutrí, nutriste, nutrió, nutrimos, nutristeis, nutrieron.
Imperfect
De verleden tijd onvoltooid van 'nutrir' is regelmatig: nutría, nutrías, nutría, nutríamos, nutríais, nutrían.
Present
De tegenwoordige tijd van 'nutrir' is regelmatig: nutro, nutres, nutre, nutrimos, nutrís, nutren.
Future
De toekomende tijd van 'nutrir' is regelmatig: nutriré, nutrirás, nutrirá, nutriremos, nutriréis, nutrirán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng nutrir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'nutrir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent nutrir in het Spaans?
nutrir betekent "voeden".
Is nutrir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
nutrir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je nutrir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van nutrir is: yo nutro, tú nutres, él/ella/usted nutre, nosotros nutrimos, vosotros nutrís, ellos/ellas/ustedes nutren.
Hoe vervoeg je nutrir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van nutrir is: yo nutrí, tú nutriste, él/ella/usted nutrió, nosotros nutrimos, vosotros nutristeis, ellos/ellas/ustedes nutrieron.
