patinarVervoeging
patinar means schaatsen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van patinar heeft twee vormen: patinara/patinaras/patinara/patináramos/patinarais/patinaran en patinase/patinases/patinase/patinásemos/patinaseis/patinasen.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van patinar is: patine (ik/hij/zij/u), patines (jij), patinemos (wij), patinéis (jullie), patinen (zij/u allen).
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van patinar gebruikt 'no' + tegenwoordige tijd aanvoegende wijs: no patines (jij), no patine (u), no patinemos (wij), no patinéis (jullie), no patinen (zij/u allen).
Imperative
Het gebiedende wijs van patinar is: patina (jij), patine (u), patinemos (wij), patinad (jullie), patinen (zij/u allen).
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van patinar is: patinaría, patinarías, patinaría, patinaríamos, patinaríais, patinarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van patinar is regelmatig: patiné, patinaste, patinó, patinamos, patinasteis, patinaron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van patinar is: patinaba, patinabas, patinaba, patinábamos, patinabais, patinaban.
Present
De tegenwoordige tijd van patinar is: patino, patinas, patina, patinamos, patináis, patinan.
Future
De toekomende tijd van patinar is: patinaré, patinarás, patinará, patinaremos, patinaréis, patinarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng patinar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'patinar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent patinar in het Spaans?
patinar betekent "schaatsen".
Is patinar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
patinar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je patinar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van patinar is: yo patino, tú patinas, él/ella/usted patina, nosotros patinamos, vosotros patináis, ellos/ellas/ustedes patinan.
Hoe vervoeg je patinar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van patinar is: yo patiné, tú patinaste, él/ella/usted patinó, nosotros patinamos, vosotros patinasteis, ellos/ellas/ustedes patinaron.
