pecarVervoeging
pecar means zondigen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'pecar' is regelmatig, gevormd uit de derde persoon meervoud verleden tijd: pecara, pecaras, pecara, pecáramos, pecarais, pecaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'pecar' heeft een c-naar-qu spellingverandering: peque, peques, peque, pequemos, pequéis, pequen.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'pecar' gebruikt de vormen van de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no peques, no peque, no pequemos, no pequéis, no pequen.
Imperative
De gebiedende wijs van 'pecar' gebruikt 'peca' (tú) en 'peque' (usted), met de spellingverandering in formele vormen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'pecar' is regelmatig: pecaría, pecarías, pecaría, pecaríamos, pecaríais, pecarían.
Preterite
De verleden tijd van 'pecar' is regelmatig, behalve de 'yo'-vorm (pequé), die 'qu' gebruikt om de harde 'k'-klank te behouden.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'pecar' is regelmatig: pecaba, pecabas, pecaba, pecábamos, pecabais, pecaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'pecar' is volledig regelmatig: peco, pecas, peca, pecamos, pecáis, pecan.
Future
De toekomende tijd van 'pecar' is regelmatig: pecaré, pecarás, pecará, pecaremos, pecaréis, pecarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng pecar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'pecar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent pecar in het Spaans?
pecar betekent "zondigen".
Is pecar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
pecar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je pecar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van pecar is: yo peco, tú pecas, él/ella/usted peca, nosotros pecamos, vosotros pecáis, ellos/ellas/ustedes pecan.
Hoe vervoeg je pecar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van pecar is: yo pequé, tú pecaste, él/ella/usted pecó, nosotros pecamos, vosotros pecasteis, ellos/ellas/ustedes pecaron.
