pisarVervoeging
pisar means stappen op.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooide verleden tijd van pisar is regelmatig: pisara, pisaras, pisara, pisáramos, pisarais, pisaran.
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van pisar gebruikt 'e' uitgangen: pise, pises, pise, pisemos, piséis, pisen.
Imperative
Negative Imperative
Het gebiedende wijs ontkennend van pisar gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no pises, no pise, no pisemos, no piséis, no pisen.
Imperative
Het gebiedende wijs tegenwoordige tijd van pisar is: pisa (tú), pise (usted), pisemos, pisad (vosotros), pisen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van pisar is regelmatig: pisaría, pisarías, pisaría, pisaríamos, pisaríais, pisarían.
Preterite
De verleden tijd van pisar is regelmatig: pisé, pisaste, pisó, pisamos, pisasteis, pisaron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van pisar volgt het regelmatige -aba patroon: pisaba, pisabas, pisaba, pisábamos, pisabais, pisaban.
Present
De tegenwoordige tijd van pisar is regelmatig: piso, pisas, pisa, pisamos, pisáis, pisan.
Future
De toekomende tijd van pisar gebruikt het hele werkwoord als stam: pisaré, pisarás, pisará, pisaremos, pisaréis, pisarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng pisar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'pisar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent pisar in het Spaans?
pisar betekent "stappen op".
Is pisar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
pisar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je pisar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van pisar is: yo piso, tú pisas, él/ella/usted pisa, nosotros pisamos, vosotros pisáis, ellos/ellas/ustedes pisan.
Hoe vervoeg je pisar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van pisar is: yo pisé, tú pisaste, él/ella/usted pisó, nosotros pisamos, vosotros pisasteis, ellos/ellas/ustedes pisaron.
