planearVervoeging
planear betekent plannen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik de verleden conjunctief-vormen zoals 'planeara' voor hypothetische situaties of wensen uit het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik de tegenwoordige conjunctief-vormen zoals 'planee' na wensen, twijfels en emoties.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen zoals 'no planees' gebruiken de tegenwoordige conjunctief.
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'planea' (plan!) voor directe bevelen aan tú.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van planear is regelmatig: planearía, planearías, planearía, planearíamos, planearíais, planearían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van planear is regelmatig: planeé, planeaste, planeó, planeamos, planeasteis, planearon.
Imperfect
De verleden onvoltooid tegenwoordige tijd van planear is regelmatig: planeaba, planeabas, planeaba, planeábamos, planeabais, planeaban.
Present
De tegenwoordige tijd van planear is regelmatig: planeo, planeas, planea, planeamos, planeáis, planean.
Future
De toekomende tijd van planear is regelmatig: planearé, planearás, planeará, planearemos, planearéis, planearán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng planear van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'planear' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent planear in het Spaans?
planear betekent "plannen".
Is planear een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
planear is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je planear in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van planear is: yo planeo, tú planeas, él/ella/usted planea, nosotros planeamos, vosotros planeáis, ellos/ellas/ustedes planean.
Hoe vervoeg je planear in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van planear is: yo planeé, tú planeaste, él/ella/usted planeó, nosotros planeamos, vosotros planeasteis, ellos/ellas/ustedes planearon.
