plantarVervoeging
plantar betekent planten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden onvoltooide aanvoegende wijs van 'plantar' is regelmatig: plantara, plantaras, plantara, plantáramos, plantarais, plantaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van 'plantar' is regelmatig: plante, plantes, plante, plantemos, plantéis, planten.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'plantar' gebruikt 'no' plus de tegenwoordige aanvoegende wijs: no plantes, no plante, no plantemos, no plantéis, no planten.
Imperative
Het bevestigende gebiedende wijs van 'plantar' gebruikt: planta (jij), plantad (jullie), en de gebiedende wijs vormen voor de rest.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'plantar' is regelmatig: plantaría, plantarías, plantaría, plantaríamos, plantaríais, plantarían.
Preterite
De verleden tijd van 'plantar' is regelmatig: planté, plantaste, plantó, plantamos, plantasteis, plantaron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van 'plantar' is regelmatig: plantaba, plantabas, plantaba, plantábamos, plantabais, plantaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'plantar' is regelmatig: planto, plantas, planta, plantamos, plantáis, plantan.
Future
De toekomende tijd van 'plantar' is regelmatig: plantaré, plantarás, plantará, plantaremos, plantaréis, plantarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng plantar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'plantar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent plantar in het Spaans?
plantar betekent "planten".
Is plantar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
plantar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je plantar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van plantar is: yo planto, tú plantas, él/ella/usted planta, nosotros plantamos, vosotros plantáis, ellos/ellas/ustedes plantan.
Hoe vervoeg je plantar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van plantar is: yo planté, tú plantaste, él/ella/usted plantó, nosotros plantamos, vosotros plantasteis, ellos/ellas/ustedes plantaron.
