portarVervoeging
portar betekent zich gedragen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief, zoals 'portara' of 'portase', is voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
Tegenwoordige tijd conjunctief vormen zoals 'porte' (ik/hij/zij/u) drukken wensen, twijfels of onzekerheid uit.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken 'no' + de tegenwoordige tijd conjunctief, zoals 'no portes' (jij) of 'no porten' (ustedes).
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'porta' (jij) en 'porten' (ustedes) voor directe bevelen met 'portar'.
Indicative
Conditional
Voorwaardelijke vormen zoals 'portaría' (ik) drukken hypothetisch gedrag of beleefde verzoeken uit.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'portar' is regelmatig: porté, portaste, portó, portamos, portasteis, portaron.
Imperfect
De imperfectum 'portaba', 'portabas', 'portaba' beschrijft gebruikelijke of doorlopende gedragingen in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd 'porto', 'portas', 'porta' beschrijft gebruikelijke gedragingen of acties die nu plaatsvinden.
Future
Toekomende tijd vormen zoals 'portaré' (ik) en 'portarán' (zij) voorspellen of beloven toekomstig gedrag.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng portar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'portar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent portar in het Spaans?
portar betekent "zich gedragen".
Is portar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
portar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je portar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van portar is: yo porto, tú portas, él/ella/usted porta, nosotros portamos, vosotros portáis, ellos/ellas/ustedes portan.
Hoe vervoeg je portar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van portar is: yo porté, tú portaste, él/ella/usted portó, nosotros portamos, vosotros portasteis, ellos/ellas/ustedes portaron.
