prestarVervoeging
prestar betekent lenen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'prestar' gebruikt de vormen van de tegenwoordige subjunctief: no prestes, no preste, no prestemos, no prestéis, no presten.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'prestar' is: presta (tú), prestad (vosotros), preste (usted), presten (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctief van 'prestar' is regelmatig: preste, prestes, preste, prestemos, prestéis, presten.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van 'prestar' is regelmatig: prestara, prestaras, prestara, prestáramos, prestarais, prestaran.
Indicative
Preterite
'Prestar' is regelmatig in de preterite: presté, prestaste, prestó, prestamos, prestasteis, prestaron.
Conditional
De conditionele van 'prestar' is regelmatig: prestaría, prestarías, prestaría, prestaríamos, prestaríais, prestarían.
Imperfect
De imperfectum van 'prestar' gebruikt standaard -aba uitgangen: prestaba, prestabas, prestaba, prestábamos, prestabais, prestaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'prestar' is regelmatig: presto, prestas, presta, prestamos, prestáis, prestan.
Future
De toekomende tijd van 'prestar' is regelmatig, waarbij uitgangen aan het hele werkwoord worden toegevoegd: prestaré, prestarás, prestará, prestaremos, prestaréis, prestarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng prestar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'prestar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent prestar in het Spaans?
prestar betekent "lenen".
Is prestar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
prestar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je prestar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van prestar is: yo presto, tú prestas, él/ella/usted presta, nosotros prestamos, vosotros prestáis, ellos/ellas/ustedes prestan.
Hoe vervoeg je prestar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van prestar is: yo presté, tú prestaste, él/ella/usted prestó, nosotros prestamos, vosotros prestasteis, ellos/ellas/ustedes prestaron.
