pronunciarVervoeging
pronunciar betekent uitspreken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'pronunciara' of 'pronunciase' voor hypothetische situaties of situaties in de verleden tijd van de conjunctief met 'pronunciar'.
Present Subjunctive
Gebruik 'pronuncie', 'pronunciemos', etc., na uitdrukkingen van twijfel, emotie of verlangen met 'pronunciar'.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no pronuncies', 'no pronuncie', 'no pronunciemos', 'no pronunciéis', 'no pronuncien' voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'pronuncia', 'pronuncie', 'pronunciemos', 'pronunciad', 'pronuncien' voor directe bevelen met 'pronunciar'.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van pronunciar is regelmatig: pronunciaría, pronunciarías, pronunciaría, pronunciaríamos, pronunciaríais, pronunciarían.
Preterite
De preteritum van pronunciar is regelmatig: pronuncié, pronunciaste, pronunció, pronunciamos, pronunciasteis, pronunciaron.
Imperfect
De imperfectum van pronunciar is regelmatig: pronunciaba, pronunciabas, pronunciaba, pronunciábamos, pronunciabais, pronunciaban.
Present
De tegenwoordige tijd van pronunciar is regelmatig: pronuncio, pronuncias, pronuncia, pronunciamos, pronunciáis, pronuncian.
Future
De toekomende tijd van pronunciar is regelmatig: pronunciaré, pronunciarás, pronunciará, pronunciaremos, pronunciaréis, pronunciarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng pronunciar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'pronunciar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent pronunciar in het Spaans?
pronunciar betekent "uitspreken".
Is pronunciar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
pronunciar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je pronunciar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van pronunciar is: yo pronuncio, tú pronuncias, él/ella/usted pronuncia, nosotros pronunciamos, vosotros pronunciáis, ellos/ellas/ustedes pronuncian.
Hoe vervoeg je pronunciar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van pronunciar is: yo pronuncié, tú pronunciaste, él/ella/usted pronunció, nosotros pronunciamos, vosotros pronunciasteis, ellos/ellas/ustedes pronunciaron.
