provenirVervoeging
provenir betekent vandaan komen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs gebruikt de 'vinier-' stam: proviniera, provinieras, proviniera, proviniéramos, provinierais, provinieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van provenir gebruikt de 'g'-stam: provenga, provengas, provenga, provengamos, provengáis, provengan.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt de 'g'-stam: no provengas, no provenga, no provengamos, no provengáis, no provengan.
Imperative
De gebiedende wijs vormen zijn: proviene (tú), provenga (usted), provengamos (nosotros), provenid (vosotros), provengan (ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van provenir gebruikt de 'dr'-stam: provendría, provendrías, provendría, provendríamos, provendríais, provendrían.
Preterite
De verleden tijd van provenir is zeer onregelmatig: provine, proviniste, provino, provinimos, provinisteis, provinieron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van provenir is regelmatig: provenía, provenías, provenía, proveníamos, proveníais, provenían.
Present
Provenir is onregelmatig in de tegenwoordige tijd: provengo, provienes, proviene, provenimos, provenís, provienen.
Future
De toekomende tijd van provenir gebruikt de 'dr'-stam: provendré, provendrás, provendrá, provendremos, provendréis, provendrán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng provenir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'provenir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent provenir in het Spaans?
provenir betekent "vandaan komen".
Is provenir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
provenir is een irregular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je provenir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van provenir is: yo provengo, tú provienes, él/ella/usted proviene, nosotros provenimos, vosotros provenís, ellos/ellas/ustedes provienen.
Hoe vervoeg je provenir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van provenir is: yo provine, tú proviniste, él/ella/usted provino, nosotros provinimos, vosotros provinisteis, ellos/ellas/ustedes provinieron.
