razonarVervoeging
razonar means redeneren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief ('razonara'/'razonase') is voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of twijfels.
Present Subjunctive
Gebruik 'razone' (ik/hij/zij/u), 'razones' (jij), 'razonemos' (wij), 'razonen' (zij/u allen) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no razones' (jij), 'no razone' (u), 'no razonemos' (wij), 'no razonéis' (jullie), 'no razonen' (zij/u allen) voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'razona' (jij), 'razone' (u), 'razonemos' (wij), 'razonad' (jullie), 'razonen' (zij/u allen) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van 'razonar' is regelmatig: razonaría, razonarías, razonaría, razonaríamos, razonaríais, razonarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'razonar' is regelmatig: razoné, razonaste, razonó, razonamos, razonasteis, razonaron.
Imperfect
De imperfectum van 'razonar' is regelmatig: razonaba, razonabas, razonaba, razonábamos, razonabais, razonaban.
Present
Gebruik 'razono', 'razonas', 'razona', 'razonamos', 'razonáis', 'razonan' voor huidige acties, gewoontes of algemene waarheden.
Future
De toekomende tijd van 'razonar' is regelmatig: razonaré, razonarás, razonará, razonaremos, razonaréis, razonarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng razonar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'razonar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent razonar in het Spaans?
razonar betekent "redeneren".
Is razonar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
razonar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je razonar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van razonar is: yo razono, tú razonas, él/ella/usted razona, nosotros razonamos, vosotros razonáis, ellos/ellas/ustedes razonan.
Hoe vervoeg je razonar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van razonar is: yo razoné, tú razonaste, él/ella/usted razonó, nosotros razonamos, vosotros razonasteis, ellos/ellas/ustedes razonaron.
