recetarVervoeging
recetar means voorschrijven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden conjunctief van recetar is regelmatig: recetara, recetaras, recetara, recetáramos, recetarais, recetaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van recetar is regelmatig: recete, recetes, recete, recetemos, recetéis, receten.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van recetar gebruikt de tegenwoordige conjunctief: no recetes (tú), no recete (usted), no recetemos (nosotros), no receten (ustedes), no recetéis (vosotros).
Imperative
Het gebiedende wijs van recetar is regelmatig: recetad (vosotros), recete (usted), recetemos (nosotros), receten (ustedes), receta (tú).
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van recetar is regelmatig: recetaría, recetarías, recetaría, recetaríamos, recetaríais, recetarían.
Preterite
De onvoltooid verleden tijd van recetar is regelmatig: receté, recetaste, recetó, recetamos, recetasteis, recetaron.
Imperfect
De imperfectum van recetar is regelmatig: recetaba, recetabas, recetaba, recetábamos, recetabais, recetaban.
Present
De tegenwoordige tijd van recetar is regelmatig: receto, recetas, receta, recetamos, recetáis, recetan.
Future
De toekomende tijd van recetar is regelmatig: recetaré, recetarás, recetará, recetaremos, recetaréis, recetarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng recetar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'recetar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent recetar in het Spaans?
recetar betekent "voorschrijven".
Is recetar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
recetar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je recetar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van recetar is: yo receto, tú recetas, él/ella/usted receta, nosotros recetamos, vosotros recetáis, ellos/ellas/ustedes recetan.
Hoe vervoeg je recetar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van recetar is: yo receté, tú recetaste, él/ella/usted recetó, nosotros recetamos, vosotros recetasteis, ellos/ellas/ustedes recetaron.
