recorrerVervoeging
recorrer betekent doorkruisen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecto conjunctief 'recorriera'/'recorrieras' etc. wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief 'recorra'/'recorras' etc. wordt gebruikt na wensen, twijfels en emoties.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no recorras' (jij) en 'no recorran' (jullie/u) om negatieve bevelen te geven.
Imperative
Gebruik 'recorre' (jij) en 'recorran' (jullie/u) voor directe bevelen om door te reizen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd 'recorrería', 'recorrerías' etc. drukt hypothetische situaties uit ('zou reizen').
Preterite
De preterito 'recorrí', 'recorriste', etc. markeert voltooide handelingen in het verleden van het doorreizen.
Imperfect
De imperfecto 'recorría', 'recorrías' etc. beschrijft doorlopende of gebruikelijke reizen in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd 'recorro', 'recorres', etc. beschrijft gebruikelijke of huidige handelingen van het doorreizen.
Future
De toekomende tijd 'recorreré', 'recorrerás' etc. geeft aan dat handelingen zullen plaatsvinden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng recorrer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'recorrer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent recorrer in het Spaans?
recorrer betekent "doorkruisen".
Is recorrer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
recorrer is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je recorrer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van recorrer is: yo recorro, tú recorres, él/ella/usted recorre, nosotros recorremos, vosotros recorréis, ellos/ellas/ustedes recorren.
Hoe vervoeg je recorrer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van recorrer is: yo recorrí, tú recorriste, él/ella/usted recorrió, nosotros recorrimos, vosotros recorristeis, ellos/ellas/ustedes recorrieron.
